Macht (en moraliteit)
De combinatie van macht en moraliteit doet een beetje denken aan die van water en olie. En het uitoefenen van macht, zelfs wanneer dat vanuit wezenlijke moraliteit gebeurt, betekent een aantasting van diezelfde moraliteit.
Macht is immers -we hanteren een heel ongedwongen beschrijving- de mogelijkheid anderen jouw wil op te leggen. Dat is echter, hoe goedbedoeld ook, uiteindelijk een aantasting of voorbijgaan aan de autonomie en de vrije wil van de ander.
Natuurlijk, in de werkelijkheid van het leven -en specifieker: in onze omgang met anderen- zijn hier veel nuanceringen aan te brengen. Maar als we niet zozeer denken aan macht in ons persoonlijke leven en het omgaan met de mensen om ons heen, maar aan macht in de context van de samenleving… dan zouden we kunnen bedenken dat macht daar in principe uitgesloten zou moeten worden. (En dat het uitoefenen van macht en geweld slechts toegestaan zou kunnen zijn ter bescherming van lijf en goed).
De sociale driegeleding bevat de noodzakelijke bestanddelen om de macht uit te sluiten: het onverkoopbaar maken van arbeid, grond en kapitaal, en het ‘binnenbrengen’ van vrijheid, gelijkheid en broederschap als leidende principes in hun eigen gebied.