De financiële crisis en de driegeleding
Voor de financiële crisis wordt doorgaans een vast rijtje oorzaken genoemd: de hebzucht van bankiers, de complexiteit van financiële ‘producten’ en het falende toezicht. Hoewel deze zeker een rol speelden, raken ze niet de kern. In feite is de crisis het gevolg van het zondigen tegen basisregels die volgen uit Rudolf Steiners sociale driegeleding. Overtollig geld is niet als schenkgeld naar het geestesleven gesluisd; staten treden op buiten hun eigenlijke terrein; er is gehandeld in geld en grond is tot koopwaar gemaakt. In onderstaand artikel wordt gepoogd de kredietcrisis te duiden vanuit de sociale driegeleding.
Al in 2005 waarschuwden economen voor wat zij het wereldwijde spaaroverschot (global saving glut) noemden: de enorme spaartegoeden die wereldwijd waren opgebouwd en die zo groot waren dat ze niet zinvol geïnvesteerd konden worden.
De eerste die deze waarschuwing uitte was notabene Ben Bernanke, inmiddels voorzitter van de Fed (het Amerikaanse stelsel van centrale banken). Hij werd bijgevallen door onder andere Paul Krugman, een van ‘s werelds meest invloedrijke economen. “Als je wilt weten waar de crisis vandaan is gekomen, zie het dan als volgt: het is de wraak van de overvloed aan spaargeld. (...) Over de hele wereld is de hoeveelheid spaargeld groter dan de hoeveelheid geld die bedrijven willen investeren. Het resultaat is een wereldwijd moeras waarin iedereen slechter af is. Zo zijn we in deze toestand verzeild geraakt. En we zijn nog steeds op zoek naar de weg eruit”, schreef Krugman in 2009 in De Volkskrant onder de titel ‘Crisis? We hebben teveel gespaard’.
Bij het uitbreken van de kredietcrisis in 2007 was de wereldwijde spaarquote (het percentage van het totaal beschikbare inkomen dat gespaard wordt) in 5 jaar tijd toegenomen van 20,5% tot 23,9%, het hoogste niveau sinds decennia. Het ‘wereld-bnp’ (alles wat er op de wereld in een jaar verdiend wordt) bedroeg in 2007 naar schatting 65.600 miljard dollar. Dus ruwweg een kwart hiervan, ruim 16.000 miljard dollar, is dat jaar gespaard en niet uitgegeven.
Er waren dus blijkbaar niet voldoende mogelijkheden om dat geld productief te investeren, omdat bedrijven geen markt zagen voor extra productie of omdat ze over voldoende eigen middelen beschikten voor de nodige investeringen. Het is bijvoorbeeld bekend dat het bedrijfsleven anno 2011 over het algemeen aanzienlijke reserves heeft. Banken en financiële instellingen maken alleen winst als ze spaargeld weer uitlenen. Maar het geld werd uitgeleend voor niet-productieve doeleinden en aan partijen die niet altijd even kredietwaardig waren, zoals aan staten die al te hoge staatsschulden hadden en (hypotheken) aan nauwelijks kredietwaardige particulieren. Het verband tussen het spaaroverschot en de oplopende staatsschulden werd al in 2005 gelegd in onder andere Business Week en de Washington Post. Onder invloed van al dat spaargeld daalden de rentetarieven sterk. Zo konden overheden (nog meer) schulden aangaan en konden (bijvoorbeeld in de Verenigde Staten) particulieren die er vroeger niet voor in aanmerking kwamen een hypotheeklening aangaan. En in de financiële wereld geloofde men dat de bomen tot in de hemel groeiden. Het overschot aan spaargeld neemt nog steeds toe: het IMF voorspelt voor de komende jaren een verdere stijging van het spaaroverschot naar lang niet geziene niveaus.
Rommelhypotheken
Toen in 2007 in de Verenigde Staten de huizenprijzen niet meer stegen spatte de hypotheekzeepbel uiteen; kwamen honderdduizenden huizenbezitters in de problemen en sleepten zij de hypotheekbanken mee.
Tot dat moment waren de huizenprijzen als vanzelf gestegen door de sterk toenemende vraag naar huizen, die het gevolg was van de overvloed aan geld, de lage rentes en de garantiestellingen van de staat (zie onder).
Continu stijgende huizenprijzen zijn op zichzelf een vreemd verschijnsel. Een huis is immers een consumptiegoed dat geproduceerd wordt en in principe langzaam vervalt. Hoe kan het dan dat huizen zo duur zijn dat zoveel mensen, in tegenstelling tot een paar decennia geleden, met een modaal inkomen zonder staatssteun geen huis kunnen kopen?
Stijgende huizenprijzen lijken vooral te worden veroorzaakt doordat de grond waarop huizen staan, steeds duurder wordt verkocht. De prijzen van landbouwgrond in de VS en Engeland zijn de laatste 10 jaar met 250% gestegen en in Australië maar liefst met 400%. De prijzen van bouwgrond stijgen zo mogelijk nog sneller. Volgens de BBC stegen bouwkavelprijzen in Groot-Brittannië tussen 1983 en 2003 met 800%.
Vanuit de driegeleding weten we dat het verkopen van grond onmogelijk gemaakt zou moeten worden. In een ver verleden was grond geen eigendom; het was van iedereen en van niemand tegelijk. Dat veranderde op het moment dat de mens zich de grond toe-eigende, natuurlijk gesteund door macht of geweld. Vervolgens kon de toegeëigende grond van eigenaar veranderen: door geweld of door verkoop. Vanaf de Romeinse tijd werd deze manier van omgaan met het eigendom van grond in de wet beschreven en vastgelegd. In tegenstelling tot de producten die het economisch leven voortbrengt is grond niet vermeerderbaar. Wanneer er een tekort aan een bepaald product is, leidt dat tot een hogere productie en die hogere productie leidt weer tot een daling van de prijs. Dat is bij grond niet zo: de beschikbare hoeveelheid grond is in principe gelijk, terwijl de behoefte aan grond (door bevolkingsgroei of door de gevolgen van welvaartsstijging) stijgt. En dus stijgen de grondprijzen.
Rol van de staat
Het is merkwaardig dat in het publieke debat het feit dat we de Amerikaanse huizenbubbel te danken hebben aan ‘progressief’ overheidsbeleid, nauwelijks een rol speelt. Amerikaanse politici hadden bedacht dat iedereen moest kunnen meeprofiteren van de zegeningen van het kapitalisme: het opbouwen van een eigen kapitaaltje dat ‘voor je kan werken’. Huizenbezit is doorgaans niet alleen het grootste bezit dat de kleine man zich kan verwerven, het heeft ook nog eens de neiging om in waarde toe te nemen. Iedereen moest dus huiseigenaar kunnen worden. Het probleem was echter hoe de armen aan een hypotheek konden komen.
Hiervoor werd, in het kader van Roosevelts New Deal, in 1938 de Federal National Mortgage Association opgericht, later herdoopt tot Fannie Mae en in 1968 omgebouwd tot een government sponsored entity (GSE, vergelijkbaar met een zelfstandig bestuursorgaan in Nederland). Om te concurreren met Fannie werd in 1970 volgens eenzelfde constructie Freddie Mac opgericht. Beiden hadden de taak om, via diverse constructies, ervoor te zorgen dat niet-kredietwaardige Amerikanen toch een hypotheek konden krijgen. In 2008 waren Fannie en Freddie eigenaar van of stonden garant voor 56,8% van de Amerikaanse hypotheekmarkt die toen 12.000 miljard dollar bedroeg. “De overheid stond aan de basis van de subprimeleningen”, concluderen NRC-redacteuren Kalse en Van Lent in hun boek Bankroet (p. 21).
Republikeinse politici, inclusief George W. Bush, deden hier overigens net zo hard aan mee als Democratische. De subprimehypotheken gingen namelijk voor een zeer groot deel naar Afro-Amerikanen en Hispanics. Van alle hypotheken die Afro-Amerikanen hebben is 55% subprime, en bij Hispanics is dat percentage 45%. Bij blanke Amerikanen bedraagt het aantal subprimehypotheken 17% van het totale aantal. De etnische groepen hebben veel stemmen te vergeven en beide politieke partijen wilden hen aan zich binden. De politieke dimensie van het verstrekken van deze hypotheken is het kopen van stemmen. Dit zijn natuurlijk bij uitstek politieke overwegingen die tegen de economische ratio ingaan. Bij de vraag of iemand een lening kan krijgen, mogen alleen relevante feiten als inkomen en onderpand een rol spelen. We hebben hier te maken met een staat die zijn eigenlijke werkingssfeer ver te buiten treedt.
Handel in geld
Een kernpunt van de sociale driegeleding is dat alleen waren (in de betekenis van goederen) verhandeld kunnen worden. Wie andere zaken wil verhandelen - zoals grond, rechten of arbeid - doet iets oneigenlijks en creëert allerlei sociale en economische problemen.
Geld is geen goed. Niemand die in de economie actief is en bij zinnen is, heeft het ophopen van geld als einddoel. Wie met een koffer vol bankbiljetten op een onbewoond eiland aanspoelt heeft niets aan dat geld. Hij kan er hoogstens een vuurtje mee stoken. Geld heeft een sterk rechtskarakter: het is een soort tegoedbon, een bewijs dat iemand recht heeft op een hoeveelheid consumptie omdat hij eerder al een prestatie heeft geleverd. Hetzelfde rechtskarakter hebben aandelen, obligaties en hypotheken. Het zijn in feite contracten waarbij iemand het recht krijgt het geld van een ander tijdelijk te gebruiken tegen een latere betaling. Op de beurs - overigens een Nederlandse vinding - kunnen deze contracten worden verhandeld. Zelfs meer dan dat: de contracten kunnen worden opgesplitst, herverpakt en doorverkocht. Dit heet securitisatie (vanwege het feit dat het herverpakken en doorverkopen veelal gedaan wordt om risico’s door te schuiven of te spreiden). Ook bij hypotheken is dit gebeurd. De Amerikaanse rommelhypotheken zijn massaal in stukken geknipt, herverpakt als ‘complexe obligaties’ en doorverkocht aan allerlei partijen. Deze obligaties zijn op zichzelf gewoon verhandelbaar en kunnen dus steeds van eigenaar wisselen.
Met betrekking tot securitisaties is Nederland overigens koploper in Europa. Twintig procent van de securitisaties in Europa wordt in Nederland geïnitieerd, aldus De Nederlandsche Bank medio 2008. Eind 2008 was een derde van de totale Nederlandse woonhypotheekschuld gesecuritiseerd. Wereldwijd was de securitisatiemarkt (die meer omvat dan alleen hypotheken) in 2007 goed voor 7.300 miljard dollar.
Het gevolg van de securitisatie van de Amerikaanse rommelhypotheken was echter dat de risico’s onzichtbaar werden. Toen de crisis uitbrak wist niemand bij welke financiële instelling de securitisaties zaten. Banken vertrouwden elkaar niet meer, het onderlinge geldverkeer kwam tot stilstand en de crisis was een feit.
Om onzichtbare risico’s te vermijden zouden financiers altijd zo kort mogelijke lijnen moeten houden met degenen die hen financieren. Het eindeloos doorverkopen van leningen zou aan banden moeten worden gelegd omdat het geen waarde toevoegt, het is niet productief. In de financiële wereld houdt een kleine volksstam zich hiermee bezig. Feitelijk kunnen we zeggen dat er in deze sector teveel mensen werken, die zichzelf bovendien buitenproportioneel belonen. Zij moeten allen worden onderhouden door de mensen die in de reële economie werken.
Staatsschulden
Het wereldwijde spaaroverschot werd zoals gezegd gebruikt ter financiering van hypotheken maar ook ter financiering van overheidstekorten.
De staatsschulden overal ter wereld waren al flink gestegen door het uitbreken van de eerste kredietcrisis in 2007. Omdat banken in grote problemen kwamen, wisten politici niets beters te doen dan de banken met miljarden aan staatssteun te hulp te schieten en zo in feite de schuldenlast van de banken te verplaatsen naar de staat. Dat geld is grotendeels verloren. Van de 30 miljard euro die de Nederlandse staat besteedde aan de redding van ABN Amro en die ten laste kwam van de staatsschuld, krijgt ze bij de huidige stand van zaken maar 10 miljard terug. In 2008 kwam er zomaar even 85 miljard bij de Nederlandse staatsschuld, als gevolg van de steunmaatregelen. Momenteel gaat de teller richting 400 miljard euro, ofwel zo’n 25.000 euro per hoofd van de bevolking. Overigens hebben (tegen de populaire beeldvorming in) vooral de ontwikkelde landen (Noord-Amerika, Europa en Japan) hoge staatsschulden, in absolute bedragen en ook als aandeel van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Nederland behoort tot de landen met de hoogste staatsschuld ter wereld.
Staten die vóór de kredietcrisis al een hoge staatsschuld hadden, zoals Griekenland en Italië, zijn hierdoor diep in de problemen gekomen. Omdat beleggers zenuwachtig werden, gingen ze hogere rentes vragen. Daardoor moesten staten nog meer lenen, werden beleggers nóg zenuwachtiger en vroegen nóg hogere rentes enzovoort.
Ook zonder kredietcrisis zou de situatie niet hebben kunnen voortbestaan. De statistieken laten zien dat vooral sinds begin jaren ‘70 de staatsschulden overal ter wereld bijna permanent zijn gestegen. Er wordt netto niets afbetaald. Uiteraard worden de bestaande leningen wel volgens afspraak afbetaald, maar op het moment van afbetalen moet er direct opnieuw geleend worden. Het ene gat wordt dus met het andere gedicht. Uiteraard kan dit niet permanent doorgaan. Staten zouden - behoudens noodgevallen als oorlogen en overstromingen en dergelijke - eigenlijk helemaal niet mogen lenen. Men heeft het graag over de ‘investeringen’ die staten zouden moeten doen, waarbij de suggestie dan is dat voor investeringen toch geleend mag worden. Maar de uitgaven van staten zijn grotendeels consumptief. Zelfs bij staatsuitgaven die op investeringen lijken, zoals de aanleg van infrastructuur, is de situatie heel anders dan in het bedrijfsleven. Als een bedrijf een investering doet, dan is dat in nieuwe productiefaciliteiten die extra inkomen opleveren waarmee volgens de berekeningen de schuld kan worden afbetaald. Bij de staat is dat niet het geval. Nieuwe infrastructuur kan tot extra economische activiteit leiden, maar daar heeft de staat geen zekerheid over en de eventuele extra inkomsten van de staat komen via een omweg uit de (hogere) belastinginkomsten. Het feit dat staten steeds hogere schulden maken, geeft aan dat er iets structureel mis is. Hierbij komen we op misschien wel de meest belangrijke en meest over het hoofd geziene oorzaak van de kredietcrisis.
Geestesleven
Academici en de media hebben de neiging de maatschappij steeds in twee dominante actoren op te delen: de ‘markt’ en de staat. Grote maatschappelijke vraagstukken worden steevast teruggebracht tot de vraag of we ‘meer markt’ of ‘meer overheid’ nodig hebben. De derde partij, het geestesleven, wordt hierbij steevast over het hoofd gezien. (‘Overheid’ is overigens een esoterisch-religieuze term: hiermee wordt in oude bijbelvertalingen de engelenhiërarchie van de Exusiai aangeduid. Rudolf Steiner zei niet voor niets dat de staat de opvolger is van de middeleeuwse kerk.)
De staat heef taken naar zich toe getrokken die eigenlijk in het geestesleven thuishoren, onder andere op het gebied van volksgezondheid, onderwijs en cultuur, maar zij is niet erg geschikt of toegerust om die taken goed uit te oefenen. Aangezien haar kerntaak politiek en recht is, en binnen het gebied van de staat gelijkheid het leidende principe zou moeten zijn, past het geestesleven vanuit haar eigen wezen niet bij de staat. Zoals de economie de staat niet moet beïnvloeden, moet de staat niet het geestesleven willen beheersen. Bovendien kost dit de staat veel geld, in de praktijk meestal meer dan ze heeft (de opbrengst van belastingen, accijnzen e.d.). Een zelfstandig geestesleven zou losstaan van de staat, kan zich daarmee naar zijn eigen aard ontwikkelen, kan veel taken van de huidige staat overnemen en deze daarmee (ook financieel) ontlasten.
Zoals bekend zou het geestesleven volgens Rudolf Steiner met schenkgeld gefinancierd moest worden. Dat is ook vanuit economisch oogpunt rationeel. Scheppingen van het geestesleven hebben vaak een algemeen karakter: een boek of een film kan door iedereen ‘geconsumeerd’ worden en consumptie tast de waarde van het ‘product’ niet aan, draagt daar eerder aan bij, terwijl bij economische consumptie het product wordt ‘opgemaakt’. Vooral bij de wetenschap, uitvindingen en de media is het rationeel dat zoveel mogelijk mensen toegang hebben tot de geestelijke vruchten. De economie kan er alleen maar door bloeien. Geestelijke productie kan bovendien niet of slecht als antwoord op een vraag geschieden. Al deze factoren maken het logisch om het geestesleven met schenkgeld te financieren, ofwel met geld waaraan geen voorwaarden verbonden zijn. Uiteraard vindt er selectie op kwaliteit plaats, in de zin dat de schenkers heel bewust aan bepaalde personen of instellingen zullen willen schenken, maar juist het vertrouwen dat de schenkers in de ontvanger hebben kan ervoor zorgen dat schenkingsvoorwaarden achterwege blijven.
Schenkgeld is er genoeg. Het hele spaaroverschot is in feite schenkgeld. Dat dit geen mooie theorie maar werkelijkheid is, blijkt uit het feit dat door de wanbetalingen van particulieren en een staat als Griekenland, het geld alsnog van leengeld tot schenkgeld is geworden.
Het geestesleven is van grote betekenis voor de economie, bijvoorbeeld door de inzichten, vindingen en nieuwe technologie die zij voortbrengt. Zo was Steiner een voorstander van het beheren van bedrijven door het geestesleven. Op grond van inzicht en levenservaring kunnen mensen in het geestesleven de juiste mensen selecteren die, bijvoorbeeld als ondernemer, in bedrijven werkzaam zijn. Het geestesleven kan dat ‘om niet’ en in vrijheid doen omdat het voorzien is van schenkgeld. Ook het toekennen van kredieten in het bankwezen lijkt mij eerder een functie van het geestesleven dan van het economische of rechtsleven. Bovendien kan het geestesleven vanuit die posities ook een gunstige invloed uitoefenen op de cultuur die in bedrijven en financiële instellingen heerst. Het werkt immers zonder eigenbelang.
Schenkgeld
Een paar principes zijn belangrijk bij de totstandkoming van schenkgeld. Het geestesleven heeft maatschappelijk een belangrijke functie, ook bij het draaiende houden van de economie. Hiervoor is een bepaalde hoeveelheid geld nodig. Het zou niet aan de willekeur van het individu moeten worden overgelaten of die hoeveelheid geld ook daadwerkelijk aan het geestesleven wordt gegeven. De geldstroom moet gegarandeerd zijn. Zo niet, dan dreigt calculerend gedrag omdat mensen zouden kunnen menen dat eerst de anderen maar eens moeten geven.
Ook moeten schenkgeldstromen bij voorkeur niet via instituties, zoals de staat lopen, omdat dan institutionele belangen de kop op gaan steken. Schenkgeld moet op basis van vertrouwen in de kwaliteiten en vaardigheden van de ontvanger worden gegeven. Er is dus zeker wel sprake van selectie, maar schenkende individuen oordelen vaak heel anders dan besturen van instellingen die belangen hebben. Bovendien kunnen instituties veel gemakkelijker ongeoorloofde druk uitoefenen op geestelijke productie dan een grote groep schenkende individuen.
Dit dilemma kan worden opgelost door in de geldcirculatie een moment in te bouwen waarop het koopgeld rechtens (automatisch) tot schenkgeld overgaat. De eigenaar kan het dan niet meer in de economie uitgeven, maar alleen aan personen of instellingen in het geestesleven die het dan als nieuw koopgeld kunnen uitgeven. Technisch is dat lastig te realiseren, maar niet onmogelijk.
Economische organisatie
De instelling van een zelfstandig geestesleven en het terugdringen van de rol van de staat naar haar eigen terrein moet ook gepaard gaan met een bepaalde organisatievorming in de economie. Steiner heeft het in de Kernpunten van het sociale vraagstuk en elders over gekozen orgaan dat het geheel van het economisch leven op hoofdlijnen overziet en bestuurd en ook regelgeving maakt. Of dat precies de juiste vorm voor het economisch leven is valt te bezien.
Een feit is dat er in de economie veel minder organen zijn die verantwoordelijkheid nemen voor de economie als geheel dan elders in de maatschappij. Er zou meer afstemming en meer wederkeriger verantwoordelijkheid moeten zijn. Banken die dreigen om te vallen (wat ook in een op zich gezonde financiële wereld kan gebeuren) zouden niet door de staat gered moeten worden, maar zouden elkaar overeind moeten houden. Bankier Peter Blom van de Triodos Bank pleit bijvoorbeeld voor het omruilen van het depositogarantiestelsel (waarin de staat in laatste instantie de klappen moet opvangen) voor een echte bankenverzekering, waarbij de meer risicovolle banken een hogere premie betalen dan weinig risicovolle. Dat is mijns inziens een juiste gedachtenrichting. We moeten in ieder geval af van de situatie waarbij bedrijven en banken cowboy kunnen spelen en winsten opstrijken terwijl de staat de scherven opruimt als het misgaat.
Conclusie
De financiële crisis is bijna een schoolvoorbeeld van wat oplossingen uit de sociale driegeleding kunnen betekenen. Ten eerste mag grond niet worden verkocht en als het toch gebeurt leidt dat tot enorme prijsstijgingen. Dit zuigt leengeld aan (in de vorm van hypotheken) dat eigenlijk schenkgeld had moeten zijn. De staat, die veel taken van het geestesleven overneemt en daardoor schulden op zich neemt die zij kennelijk niet kan terugbetalen, zuigt ook leengeld aan dat eigenlijk schenkgeld had moeten zijn. Door het geestesleven een eigen financiering te geven middels schenkgeld, wordt de staat ontlast. Het spaaroverschot biedt een enorme stroom potentieel schenkgeld. Sterker: als het geen schenkgeld wordt, veroorzaakt het problemen. Nu wordt het grotendeels onvrije geestesleven gefinancierd met methodes die uit het economische leven (stukprijs) en het rechtsleven (subsidies) komen. Dat laatste gaat vaak gepaard met een zeer eenzijdige besteding en verspilling door bureaucratie en inefficiëntie. In de economie moeten organisatievormen ontstaan die ertoe leiden dat het economische leven zelf verantwoordelijk is en haar eigen brokken herstelt. Ten slotte moet ook de handel in financiële ‘producten’ worden aangepakt. Dit is, afhankelijk van de precieze omstandigheden, een handel in rechten dan wel kapitaal. Beide zijn oneigenlijk en gaan gepaard met allerlei ongewenste sociale neveneffecten. Maar er is ook goed nieuws: er is geld genoeg voor het geestesleven.
Referenties
Ben Bernanke, ‘The global saving glut and the US current account deficit’. Toespraak voor de Virginia Association of Economics, 10 maart 2005, http://www.bis.org/review/r050318d.pdf
Ewald Engelen en Martijn Konings, ‘Staatskapitalisme is terug in Europa’. De Volkskrant, 29 september 2008, http://www.pim-fortuyn.nl/pfforum/topic.asp?ARCHIVE=true&TOPIC_ID=58975
Howard Holden, ‘Long history of land surges’, Farm Management, juni 2008, http://magissues.farmprogress.com/WAL/WF06Jun08/wal035.pdf
Egbert Kalse en Daan van Lent, Bankroet. Hoe bankiers ons in de ergste crisis sinds de Grote Depressie stortten. Amsterdam/Rotterdam: Prometheus/NRC, 2009
Paul Krugman,'Crisis? We hebben teveel gespaard', De Volkskrant, 4 maart 2009
Heleen Mees, ‘Het wereldwijde spaaroverschot zal de rente laag houden’, Me Judice, 11 augustus 2011, http://www.mejudice.nl/artikel/649/het-wereldwijde-spaaroverschot-zal-de-rente-laag-houden
Rich Miller et al, ‘Too much money’, Business Week, 11 juli 2005, http://www.businessweek.com/magazine/content/05_28/b3942001_mz001.htm
Tobias Reijngoud. Het nieuwe bankieren. De duurzame oplossingen van bankier Peter Blom. Utrecht/Antwerpen: Kosmos Uitgevers, 2009
Steve Sailor, ‘The diversity recession’, Takimag.com, http://takimag.com/article/the_diversity_recession
Robert J. Samuelson, ‘The global savings glut’, Washington Post, 27 april 2005, http://www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/article/2005/04/26/AR2005042601394.html
Rudolf Steiner, Wereldeconomie [vert. van National-Ökonomischer Kurs]. Rotterdam: Hesperia, 1986 [1922]. http://www.dreigliederung.de/download/340.pdf
Rens van Tilburg, ‘De economen weten het echt niet meer’, De Volkskrant, 13 september 2011, http://www.volkskrant.nl/vk/nl/3184/opinie/article/detail/2903921/2011/09/13/De-economen-weten-het-echt-niet-meer.dhtml
‘Wat is securitisatie?’ NRC Handelsblad, 5 december 2008, http://vorige.nrc.nl/nieuwsthema/kredietcrisis/article2082906.ece
Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in Driegonaal, jrg.32, nr.3 (september 2012)