Luuk Humblet

Een kapitaal verschil: kapitalisme en kapitaaleconomie

Kapitaaleconomie is die vorm van economie waarin aan deskundige en bekwame mensen of teams kapitaal ter beschikking wordt gesteld. Dat kapitaal hebben zij nodig om hun individuele capaciteiten doelgericht als ondernemers in te zetten en voor hun medemensen vruchtbaar werk te leveren. Zij schaffen er zich grondstoffen (zoals meel voor een bakker, hout voor een meubelmaker) en productiemiddelen mee aan (een oven voor de eerste, gereedschap voor de tweede).

Kapitalisme is iets heel anders. Dat is een sociale ordening waarin macht wordt verleend aan diegenen die kapitaal bezitten. Het kapitaal wordt er “niet in verbinding gebracht met de capaciteiten van het individu”, maar als belegging ingezet op die plaatsen waar een maximum aan economisch profijt in de vorm van bedrijfswinst in het vooruitzicht wordt gesteld. “Dat is vreemd aan de ware aard van het kapitaal en het leidt tot sociale ongelijkheid (armoede)” , aldus Houghton Budd.

Het is bijzonder belangrijk om goed het onderscheid tussen die twee te maken! Dat dat niet gebeurt, leidt al bijna twee eeuwen lang tot eindeloze verwarringen en vruchteloze discussies. Als we de spreekwoordelijke termen ‘kind’ voorlkapitaaleconomie en ‘badwater’ voor kapitalisme gebruiken, kunnen we het zo formuleren:

·    tegenstanders van het kapitalisme (marxisten) gooien het kind weg met het badwater;

·    voorstanders van het kapitalisme koesteren het badwater in plaats van het kind.

Bestaat er nu een mogelijkheid om kapitaaleconomie doelmatig te organiseren zonder in kapitalisme te vervallen? Daar zijn twee aspecten mee gemoeid. Het eerste is: hoe kan kapitaal aan zijn juiste bestemming komen, dus bij capabele ondernemers die er zinvol mee aan de slag kunnen?

Dat is alleen mogelijk als er in de economie associaties voorhanden zijn. Dat zijn de al in Hoofdstuk 2 genoemde overlegplatformen waar producenten, handelaren én consumenten met elkaar tot overeenstemming komen over wat en hoeveel er geproduceerd moet worden en voor welke investeringen er kapitaal nodig is.

Maar er is nog een tweede aspect. In efficiënt werkende ondernemingen ontstaat er steeds nieuw kapitaal in de vorm van overwinsten. Dan rijst de vraag: wie moet dat kapitaal beheren ? Het vinden van het juiste antwoord op die vraag wordt tegenwoordig bemoeilijkt doordat we nog niet goed geleerd hebben onderscheid te maken tussen ‘beheren’ en ‘bezitten’. Het klassieke begrip ‘bezitten’ is namelijk in onze economische context voor kapitaal onbruikbaar. Laat ik eerst aangeven hoe je het beter niet kunt doen:

·     Kapitaal hoort niet thuis in de handen van privé-aandeelhouders. Dan prevaleert immers in de meeste gevallen het eigenbelang : de met het kapitaal gefinancierde investeringen moeten vooral zo snel en zo veel mogelijk winst opleveren. Vaak heeft dat tot gevolg dat kapitaal juist wordt weggehouden van zinvolle ondernemingen die financiering nodig hebben, maar die niet veel profijt in het vooruitzicht kunnen stellen.

·    Kapitaal hoort evenmin thuis in de handen van de staat. Die heeft zich namelijk, zoals we in hoofdstuk 1 hebben gezien, uitsluitend bezig te houden met het vaststellen van rechten en plichten die voor iedereen gelijkelijk gelden. Door zijn aard kan de staat geen inzicht hebben in welke ondernemingen hoeveel kapitaal nodig hebben (dat hoort bij de economie) en ook niet in wie de meest geschikte ondernemerscapaciteiten heeft (dat hoort bij het geestesleven).

In welke handen hoort het kapitaal dan in een gezonde maatschappelijke context wél thuis? Behalve staat en economie kent onze samenleving als derde functiegebied het geestesleven , dat we immers al hebben onderkend als de ontstaansbron van het kapitaal. In dat gebied treffen we scholen en opleidingsinstituten, kunst- en cultuurverenigingen, ziekenhuizen en andere zorginstellingen, filosofische en kerkelijke genootschappen etc. aan. En daarin horen ook onafhankelijke kapitaalbeherende stichtingen thuis.

Die stellen kapitaal ter beschikking aan bekwame ondernemers volgens de praktische aanwijzingen die zij vanuit de economische associaties ontvangen. Beëindigen de ondernemers hun economische activiteit, dan kunnen zij het kapitaal hetzij aan hun opvolgers overdragen, hetzij aan de stichting teruggeven. Dat zorgt er meteen voor dat de ondernemingen ‘van zichzelf’ blijven en niet het voorwerp van kooptransacties kunnen worden. Hoewel deze associatieve context momenteel nog niet voorhanden is, kan het pionierswerk van de Stichting Sleipnir en de daarbij aangesloten bedrijven als voorbeeld gelden.

Dit is een fragment uit: Luuk Humblet, Samen bouwen aan een nieuwe economie (ISBN 9789083633411), Nearchus 2025