Rudolf Steiner

Een uiterste houdbaarheidsdatum voor geld

Toen Rudolf Steiner een cursus economie gaf, in de vorm van 14 voordrachten die in juli/augustus 1922 werden gehouden, vond hij het al na enkele dagen raadzaam extra vraag- en antwoordbijeenkomsten in te lassen. Zijn gedachten over de associatieve economie waren voor veel deelnemers moeilijk te begrijpen.

Onderstaand fragment is een deel van de 6e ingelaste vraag- en antwoordbijeenkomst (5/8/1922). Naar aanleiding van de in de voordrachten behandelde drie ‘geldsoorten’ en het idee de waarde van het geld een ‘houdbaarheidsdatum’ te geven, stelde een van de deelnemers de vraag of (koop)geld in die situatie zijn waarde geleidelijk zou verliezen.
Aan dit fragment valt te ervaren dat het denken over economie de beweeglijkheid vergt die de economie zelf ook kenmerkt.

Verliest geld zijn waarde geleidelijk?
Rudolf Steiner:
Als koopgeld behoudt geld zijn waarde tot het eind. Het betreft hier meer een soort technische vraag over de geldcirculatie, een vraag over het hoe. Het is niet gemakkelijk een beeld te vormen over het geleidelijke waardeverlies van het geld. Het zou een buitengewoon bureaucratisch apparaat vereisen.
Ik wil graag beklemtonen dat ik geen onrust wil scheppen, maar dat ik alleen de dingen wil benoemen zoals ze zijn. Naar mijn inzicht is het niet mogelijk om via economische wegen de hemel op aarde te vestigen. Dat zal niet lukken. We moeten natuurlijk wel de best mogelijke situatie zien te vinden en een belangrijke vraag is waarom we daar vandaag de dag niet aan toekomen. Dit is een gevolg van het feit dat de individuele factoren van de economie hun juiste waarde niet tot gelding kunnen brengen. Mensen die geestelijke arbeid verrichten, worden bijvoorbeeld economisch gesproken niet naar behoren betaald. Zij ontvangen ofwel teveel ofwel te weinig. Beide komt voor. Door een voortdurend zoeken naar evenwicht, wordt de economie verstoord. Het is daarom nodig er voor te zorgen dat de prijzen niet alleen passend zijn als het om koopwaren gaat maar evenzo recht doen aan de situatie van het culturele leven.

Hieruit vloeit noodzakelijkerwijs direct voort dat geld moet verouderen. Het gaat er alleen om hoe dit technisch te doen. Nu zou men een geleidelijk ontwaarden van het geld eigenlijk niet anders kunnen realiseren dan door aan bankbiljetten coupons te hangen die op gezette tijden moeten worden afgescheurd door een officiële instantie. Maar dat zou een zeer gecompliceerde bureaucratie nodig maken. Het is dus niet een kwestie van uiterlijk zichtbaar gemaakte geldontwaarding maar om het geleiden van het geld door de reële loop van de economische gebeurtenissen. Dit kan geschieden door allerlei soorten geld de vorm van een cheque te geven met een vervaldatum. Een dergelijke datum kan natuurlijk niet in abstracte zin worden gekozen, maar moet worden ingeschat vanuit de feiten op het moment van de uitgifte en dan bijgewerkt in lijn met wat er uiteindelijk gaat gebeuren.

Dit zou een wereldeconomische vorm betekenen van de oude Hebreeuwse gewoonte om alle schulden kwijt te schelden tijdens het jubeljaar. Dat is sterk vergelijkbaar met het verouderen van geld. Radicale kwijtschelding van schulden maakt een eind aan alle schadelijke leningen en beleggingen. Elke 50 jaar was er een dergelijk jubeljaar.

Dit jubeljaar stond weliswaar van te voren al vast - zoals dat nu eenmaal gaat in een patriarchale tijd en samenleving - en zou niet passen bij de huidige wereldeconomie, hoewel het desondanks wel correspondeert met een levensrealiteit, namelijk de levensloop van de mens. Schenkkapitaal in de jeugd, leenkapitaal in het productieve leven en handelskapitaal na de pensionering, het feit weerspiegelend dat de mens in zijn jeugd consumeert, dat hij als volwassene produceert en op oude leeftijd begunstigt.

In een wereldeconomie zouden a priori-afspraken natuurlijk niet mogelijk zijn. De tijdsperiodes zouden aanmerkelijk langer worden. Het zou echter ook zonder meer duidelijk zijn, dat de ontwaarding van het geld geleidelijk zou worden geëffectueerd in het onderlinge economische verkeer zelf, omdat op de bankbiljetten het jaar van uitgifte zou staan. In het reële economische verkeer zou dergelijk geld een lagere gebruikswaarde hebben (maar niet een geringere koopwaarde). Hoe verder het voortgaat, hoe geringer zijn gebruikswaarde, zodat het geleidelijk kan overgaan in schenkgeld om daarna weer uitgegeven te kunnen worden als jong - dat is ‘nieuw’ - geld. Dat zal dan door de associaties moeten worden uitgevoerd. Bovendien zou het in deze economische vorm duidelijk zijn dat arbeid zijn hoogste waarde heeft in verbinding met natuurproducten, hoewel associatieve prijsformules niet zouden leiden tot het uitbetalen van de gehele waarde aan de arbeider. Alleen voor een deel is dat wel natuurlijk het geval, maar de rest zou verder opgaan in het economische proces. Daardoor wordt de enkeling de mogelijkheid ontnomen zich te verrijken ten koste van een ander.

Afkomstig uit: Rudolf Steiner, Economie. De wereld als één economie. Nearchus CV, ISBN 9789492326034