Rudolf Steiner

Inzicht is noodzakelijk

In de tijd van zijn inzet voor de driegeleding van het sociale organisme, schreef Rudolf Steiner korte artikelen die in het toenmalige driegeledingsweekblad in Duitsland werden gepubliceerd. Deze artikelen raken stuk voor stuk aan de essentie van de sociale driegeleding en bieden tevens oefenstof voor het ontwikkelen van het denken dat nodig is om het sociale leven te kunnen bevatten.

De driegeledingsidee druist in tegen alle oude, aan de huidige eenheidsstaat gerelateerde, gewoontes. Inzicht in de maatschappelijke grondslagen - die tot catastrofes moesten leiden - is daarom een eerste vereiste. Verbreiding van dit inzicht zal de basis leggen voor werkelijk praktische maatregelen vanuit de driegeledingsidee.

Tegen een samenhang van ideeën zoals die van de driegeleding van het sociale organisme wordt vaak het bezwaar ingebracht, dat die niet bruikbaar zou zijn om in dit of dat bijzondere geval met ‘praktische maatregelen’ te kunnen optreden. Men wijst bijvoorbeeld op de inflatie en vraagt wat de driegeleder daartegen kan doen. Deze moet als antwoord geven: de ontwikkeling van de economische verhoudingen in de wereld is de afgelopen tijd zodanig geweest, dat de concurrentiestrijd van de staten tot de geldontwaarding heeft geleid. Een verbetering kan alleen optreden, wanneer niet hier of daar op zichzelf staande maatregelen voor een oplossing worden aangezien, maar wanneer de ontwikkeling van het economische leven in zijn hele wezen door de driegeleding van het sociale organisme tot iets anders gemaakt wordt. Op zichzelf staande maatregelen kunnen in een afzonderlijk geval dikwijls tijdelijk helpen; wanneer echter het wezen van de economie hetzelfde blijft, kan een enkele verbetering niets helpen; deze zal noodzakelijkerwijs zelfs een verslechtering op een ander gebied ten gevolge hebben.

Het werkelijk praktische middel om wat vernietigd is weer op te bouwen is de driegeleding zelf. Zou men juist in een gebied, waarin bijvoorbeeld het economische leven onder de inflatie gebukt gaat, veelomvattende instellingen in de zin van de driegeleding willen opzetten, dan zou de toestand zich door de opeenvolging van de gebeurtenissen moeten verbeteren. Het genoemde bezwaar ontstaat doordat degene die het inbrengt om een of andere reden voor een praktische werkzaamheid in de zin van de driegeleding terugschrikt en verlangt dat de dragers van de driegeledingsidee hem middelen ter verbetering van deze of gene toestand aangeven, zonder deze toestand zelf in de zin van deze idee om te vormen.

Juist hierin bestaat het wezenlijke verschil tussen degenen in wie de driegeledingsidee leeft en al degenen die geloven dat men het oude sociale leven van de eenheidsstaat zou kunnen behouden en daarbinnen tot een vernieuwing kan komen. De driegeledingsidee berust juist op het inzicht, dat deze oriëntatie op de eenheidsstaat de catastrofale wereldsituatie heeft laten ontstaan; en dat men daarom moet besluiten, een nieuwe opbouw uit de verhoudingen te laten ontstaan die uit de driegeleding voortkomen.

Voordat de moed tot een dergelijke doortastendheid bij een voldoende aantal mensen gewekt is, kan er geen genezing van het zieke sociale leven tot stand komen - en resteert slechts de mogelijkheid dat de zegevierende staten de economische en politieke macht aan zich trekken en de overwonnenen onderdrukken. De overwinnaars kunnen voorlopig het oude systeem handhaven, want de schade die daar bij hen uit resulteert, kan voor hen worden opgeheven door de voordelen die de overheersing van de overwonnenen hen oplevert. De overwonnenen verkeren echter in een situatie die onmiddellijk handelen in de zin van de hier bedoelde doortastendheid noodzakelijk maakt. Ook voor de overwinnaars zou inzicht natuurlijk het beste zijn. Want de toestand die zij tot stand brengen moet na verloop van tijd tot de bewustwording van hun ondragelijke toestand bij de overwonnenen - en daarmee tot nieuwe catastrofes leiden. De overwonnenen echter kunnen niet wachten want elk verzuim verergert het onmogelijke van hun toestand.

De driegeledingsidee is een idee die indruist tegen de gewoontes in het denken en voelen van allen, die hun innerlijke leven gevormd hebben door zich aan te passen aan de gerichtheid op de eenheidsstaat. Zonder meer aan te nemen dat de optredende ellende gevolg van deze gerichtheid op de eenheidsstaat is, is voor vele mensen alsof men van hen zou verlangen, dat zij zonder grond onder hun voeten zouden staan. De grond, waarop zij willen staan, is de eenheidsstaat. Die zouden zij het liefst willen accepteren en op die grondslag willen zij regelingen treffen, waarvan zij een verbetering van de toestand verwachten. Nu komt het er echter op aan een nieuwe grondslag te verkrijgen. Daartoe ontbreekt het aan moed. Het eerste vereiste voor de werkzaamheid van de driegeledingsidee moet dus het streven zijn, dat bij zoveel mogelijk mensen het inzicht ontstaat dat tegenwoordig alleen iets ingrijpends kan helpen. Veel te veel mensen hebben tot nog toe hun oordeelsvermogen over openbare aangelegenheden alleen vanuit hun allernaaste omgeving gevormd. Dat geldt vooral voor degenen die in de grote bedrijven in de economie werken. Zij kennen zichzelf het vermogen tot oordelen over allerlei situaties toe maar kennen in werkelijkheid slechts dat wat uit hun naaste omgeving voortkomt.

Opheldering over de samenhangen van het openbare leven, die nu in zo’n geringe mate voorhanden is, is noodzakelijk. De driegeledingsidee zal des te minder tegenstand ondervinden, naarmate meer mensen zullen weten hoe de krachten van het openbare leven tot dusverre werkzaam waren en hoe zij tot de huidige catastrofe moesten leiden. Alles, wat tot verbreiding van inzicht in deze richting kan leiden, legt de grondslag voor de praktische werkzaamheid van de driegeledingsidee.

Men zou daarom weinig moeten verwachten van uiteenzettingen met de aanhangers van deze of gene partij, die merendeels, zolang zij in de partij willen blijven staan, toch elke gedachte van een driegeleder in hun betekenis willen ombuigen. Men zou, zodra men de vruchtbaarheid van deze impuls heeft ingezien, voor het begrip daarvan in de wijdste kringen moeten zorgen. Want niet met hen, die de driegeleding niet willen, valt iets te beginnen, maar alleen met hen, die ervan doordrongen zijn. Met hen alleen valt over details van het openbare leven te spreken. Het zou toch duidelijk moeten zijn, dat met Erzberger1) niet over de genezing van het openbare leven te praten valt zolang Erzberger Erzberger is.

Ik schrijf dit, omdat ik zie dat in dit opzicht niet ieder die van de driegeledingsidee iets gevat heeft, in de juiste richting koerst. De idee van de driegeleding is er een, die men, wanneer men hem wil dienen, geheel moet dienen. Hij maakt het mogelijk, zich met iedereen uiteen te zetten; maar die uiteenzetting mag niets van het doortastende van de idee opgeven. Men zal in deze betekenis handelen wanneer men inziet, wat de werkelijke oorzaken van de ondergang zijn. Uit dit inzicht moet de moed voor het doortastende voortkomen. Want de heersende radeloosheid is alleen het gevolg van het gebrek aan inzicht.

Noot:
1) - Matthias Erzberger, publicist en Duits politicus, was in 1919-1920 minister van financiën.

Dit artikel verscheen eerder in: Rudolf Steiner, Beter - 21 opstellen voor de wereld van morgen, Nearchus CV 2012, ISBN 9789073310414