Harrie Salman

Is eigendom diefstal?

Toen Peter Minuit in 1626 in naam van de West-Indische Compagnie, voor goederen ter waarde van 60 gulden, van indianen het eiland Manhattan kocht, dacht hij dat hij daarmee het eigendomsrecht had verworven. Dat bleek al snel niet het geval te zijn. De ‘verkopers’ woonden er niet, het waren jagers, die hun jachtrechten met de blanken deelden. De indianen op het eiland bleven er rustig wonen en gaven aan de nieuwe inwoners van Nieuw Nederland de ruimte. Zij mochten het als woonplaats gebruiken

De aarde is van iedereen
In de cultuur van de Noord-Amerikaanse indianen kon grond niet worden gekocht. Zij konden niet begrijpen dat mensen eigenaar van grond kunnen zijn, zoals ze ook geen eigenaar van de lucht of het water kunnen zijn. Chief Black Hawk zei hierover in 1833: “Mijn verstand leert mij dat land niet kan worden verkocht. De Grote Geest gaf het aan zijn kinderen om erop te leven. Zolang zij het land bewonen en bebouwen, hebben zij recht op de grond. Alleen dingen die weggedragen kunnen worden, kunnen worden verkocht.”

En in 1852 zou Chief Seattle aan de president van de Verenigde Staten hebben geschreven: “De president in Washington laat ons weten dat hij ons land wil kopen. Maar hoe kan iemand de hemel kopen of verkopen? Het land? Dit idee is ons vreemd. Als we de frisheid van de lucht en de tinteling van het water niet bezitten, hoe kunnen we die verkopen?”

Gebruiksrecht van grond in de Oudheid
Jagers en nomaden beschouwden land niet als hun eigendom. Het was voldoende als ze weiden en water konden gebruiken. Met de ontwikkeling van de landbouw kwamen er claims op vruchtbaar land. Een stam nam land in bezit en verdeelde dit onder de clans en familiegroepen. De goden werden als eigenaar van de grond beschouwd, het stamhoofd of de koning beheerde dit in hun naam en de families mochten het gebruiken. Daar stond dan tegenover dat de boeren verplichtingen aan de gemeenschap hadden. Zij moesten diensten verrichten voor publieke werken, zoals de aanleg van wegen en de bouw van tempels, en zij moesten aan militaire campagnes deelnemen.

Het gebruik van land was daarmee ingekaderd in een systeem maatschappelijke verplichtingen. De boeren hadden recht op een deel van de oogst en konden hun land niet verkopen, alleen overdragen aan hun familie- of clanleden. Dit is in het Midden-Oosten en Egypte duizenden jaren zo gebleven. Dit systeem kwam onder druk te staan omdat in de loop van de eeuwen de gebruikers van de grond van hun verplichtingen aan de samenleving af wilden en hun grond naar eigen goeddunken wilden overdragen, voor geld natuurlijk. Deze ontwikkeling vond plaats in het oude Rome, waar eigendomsrechten werden ontwikkeld die op de vrijheid van het individu werden toegesneden.

Het moderne eigendomsrecht
Het moderne eigendomsrecht, dat op het Romeinse recht teruggaat, heeft drie elementen. Het omvat: 1. het recht op het gebruik van een goed, 2. het recht op het genot van het goed (bijvoorbeeld van de opbrengsten), en 3. het recht van de beschikking over het goed (verkoop, misbruik, vernietiging). De uitoefening van deze rechten is door de samenleving weer aan beperkende regels gebonden. Het heeft lang geduurd voordat in alle Europese landen, en elders in de wereld, het derde element van het eigendomsrecht is ingevoerd. Daarmee werd eigendom privé-eigendom.

De weerstand tegen privé-eigendom kwam voort uit traditionele opvattingen, zoals die van de Amerikaanse indianen en van gemeenschappen die met elkaar over de grond wilden beschikken die zij als hun gemeenschappelijk eigendom zagen. Privé-eigendom was voor hen een vorm van diefstal van iets dat van de gemeenschap was. De stelling ‘Eigendom is diefstal’ werd in 1840 door de Franse filosoof Pierre-Joseph Proudhon geformuleerd.

Hoe kon grond eigenlijk privé-eigendom worden?
In de tweede helft van de negende eeuw maakten Deense Vikingen aan de Nederlandse kusten de dienst uit. In 885 kwam hieraan een eind toen Godfried de Noorman werd vermoord. Gerulf, een van de graven van het westelijke kustgebied, eigende zich alles toe. De woeste gronden, het vruchtbare land, alles werd daarmee zijn ‘eigendom’. In naam was de koning van het Oost-Frankische Rijk de ‘eigenaar’, maar hij was ver weg en gaf daarom grote stukken aan Gerulf in leen. Gerulf beschouwde westelijk Holland in feite als zijn eigendom. Hij en zijn opvolgers gaven weer stukken land aan hun ambtenaren en legeraanvoerders in leen, omdat zij geen geld hadden om hen te betalen. Zij konden dan zelf uit dit land pachtinkomsten halen. Deze lenen werden uiteindelijk privé-eigendom en op deze wijze is vrijwel heel Holland geprivatiseerd.

Er waren buiten Holland grote stukken land, die niet door individuele boeren werden gebruikt, in gemeenschappelijk bezit. Dit waren bossen, moerassen en drassige stukken grond. In het oosten van Nederland lag bij elk dorp een marke, onverdeelde grond die gezamenlijk eigendom van de boeren van het dorp was. Elders waren meenten, waar de dorpelingen hun vee konden laten grazen. In Engeland en Schotland werden dit de commons genoemd. In de 16e eeuw werden daar de gemeenschappelijke weiden door de adel en de clanhoofden geconfisqueerd om er schapen op te laten grazen voor de wolproductie. In Engeland betrof deze diefstal 2/3 van de agrarische grond.

Kunnen we zonder privé-eigendom van grond?
In de 19e eeuw hadden de Russische dorpen een systeem van gemeenschappelijke grond, de mir, die na een bepaalde tijd steeds weer werd herverdeeld, om recht te doen aan de omvang van de gezinnen en de hoeveelheid en kwaliteit van de grond. In de Alpen zijn de bergweiden nog steeds gemeenschappelijk eigendom van de boeren in de valleien. Zij hebben in deze Almen gebruiksrechten. Dit functioneert uitstekend. In sommige Nederlandse gemeenten is de grond waarop de huizen zijn gebouwd, van de gemeente. Dan wordt erfpacht betaald voor het gebruik van de grond. Waarom zou de bewoner eigenaar moeten zijn van de grond waarop zijn huis staat? Dat kan net zo goed de gemeenschap zijn. Dan is speculatie met grond op de grondmarkt niet meer mogelijk. Het belang van privé personen is in onze samenleving te sterk geworden, ten nadele van het algemene belang.

Het recht om grond te kunnen kopen en verkopen is voor de gemeenschap heel schadelijk geworden. In de economie werkt dit door in de prijzen van alles dat geproduceerd wordt en zo maakt dit recht het leven veel duurder. We kunnen deze wijze van denken nog verder doortrekken naar alle andere productiemiddelen. Voor een ondernemer is het veel belangrijker dat hij productiemiddelen, zoals een bedrijf, kan gebruiken dan dat hij er eigenaar van is. Als we het privé-eigendom van bedrijven en grond zouden afschaffen, kan het belang van de samenleving weer belangrijker worden dan de privé belangen van individuen. 

Oorspronkelijk gepubliceerd in Driegonaal, jrg.37, nr.4 (september 2021)