Uitgangspunten voor een solidaire economie
“De enige maatschappelijke functie die een bedrijf heeft is winst maken”
(Milton Friedman, econoom en Nobelprijswinnaar) - Laten we het eenvoudig zeggen: daar kun je ook anders over denken...
Broederschap, of het verwante begrip solidariteit, is eigenlijk een geestelijke waarde, zoals ook vrijheid, empathie en rechtvaardigheid. Het zijn ethische of morele principes die een leidraad in ons handelen kunnen zijn. Broederschap of solidariteit is een bewustzijn van saamhorigheid en de bereidheid om de consequenties daarvan te dragen. Dat geldt ook voor de aarde als onze leefomgeving met al zijn energiebronnen en grondstoffen, die we samen moeten delen. Solidariteit betekent ook het eerlijk verdelen van welvaart en rijkdom, en dus ook van geld en inkomen. Welvaart en rijkdom worden vooral gerealiseerd door de economie. De economie tendeert naar grenzeloosheid en is feitelijk wereldomvattend.
Door het economische verkeer zijn mensen wereldwijd van elkaar afhankelijk maar ook met elkaar verbonden. Solidariteit is dus een opgave, al gedragen we er ons nog niet naar! Solidariteit houdt ook in dat we zelfredzaamheid en gelijkwaardigheid trachten te bevorderen. De vanzelfsprekende solidariteit die in vroeger tijden, bijvoorbeeld in familie- of stamverband, leefde moet in deze tijd van toenemende individualisering en mondialisering bewust vormgegeven worden. In de wereld van de pensioenen en verzekeringen is solidariteit de mate waarin risico gedeeld wordt met andere deelnemers of begunstigden. In de economie zou broederschap het leidende beginsel moeten zijn en niet vrijheid of gelijkheid.
Wat betekent dat eigenlijk? Dat we onze medemensen van over de hele wereld als onze gelijkwaardige medemensen zien, als broeders of familieleden. We proberen met elkaar voor elkaar zorg te dragen.
In de Nederlandse politiek zijn het de vooral zogenaamde linkse partijen die de solidariteit benadrukken, zoals bijvoorbeeld de SP die een campagne voerde met de naam Red de solidariteit!: “Solidariteit hebben we nodig om de samenleving bij elkaar en leefbaar te houden. Als de solidariteit verdwijnt, verdwijnen ook de menselijke waardigheid en de gelijkwaardigheid van mensen steeds verder achter de horizon. Vertaald naar de politiek betekent solidariteit het bij elkaar brengen van mensen. Zorgen dat iedereen naar vermogen kan bijdragen door het beste in zichzelf naar boven te brengen. Solidariteit zorgt ervoor dat mensen vertrouwen hebben in de overheid, vertrouwen in elkaar en daardoor misschien ook vertrouwen in zichzelf. ”
De economie moet ervoor zorgen dat in de behoeften van alle mensen wordt voorzien. Die behoeften kunnen heel verschillend zijn, afhankelijk van waar je woont en wie je bent. Maar primaire levensbehoeften, zoals voeding, kleding, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg, heeft ieder mens.
Als de totale hoeveelheid van het wereldwijd geproduceerde voedsel eerlijk wordt verdeeld, is er voor ieder mens dagelijks voedsel met een voedingswaarde van 2.700 kilocalorieën beschikbaar (bron: The feeding of the nine billion van Chatham House, een Brits onderzoeksinstituut).
In werkelijkheid lijdt een miljard mensen aan ondervoeding, terwijl tegelijkertijd ook een miljard mensen met overgewicht kampen. De economie vervult haar taak, het vervullen van de behoeften van de mens, dus nog niet op de juiste manier.
Vanwege het feit dat het in de economie ook om schaarse goederen gaat moeten we bovendien streven naar een efficiënte en effectieve voortbrenging en distributie. Met efficiënt bedoelen we een minimaal maar ook duurzaam gebruik van grondstoffen en energiebronnen bij een minimale verspilling. Met effectief bedoelen we maatwerk, oftewel producten waar daadwerkelijk behoefte aan bestaat en die maximaal afgestemd zijn op de wensen van de consument. Dat betekent ook dat we de behoeften van mensen als uitgangspunt nemen. Product, productiewijze en distributie zouden dus helemaal afgestemd moeten zijn op de behoeften van de consument.
Rudolf Steiner introduceerde het begrip van de associatie, het orgaan waar overleg en afstemming tussen alle betrokken economische partijen kan plaatsvinden. Samenwerken is economisch gezien vruchtbaarder dan concurreren!
In de huidige Wet op de economische mededinging is samenwerken echter verboden, omdat er wordt uitgegaan van de gedachte dat (gedwongen) vrije concurrentie tot de best mogelijke economische praktijk voert. Ieder overleg zou daarom kunnen worden opgevat als schadelijk voor de vrije markt en zou kunnen leiden tot onderlinge (verboden) afspraken over bijvoorbeeld prijs of hoeveelheid.
In veel bedrijfstakken leidt deze wetgeving tot schaalvergroting. Via fusies en overname van bedrijven ontstaan enkele grote concerns die een soort oligopolie vormen. De economische theorie en praktijk hebben aangetoond dat deze marktvorm ongewenste gevolgen heeft.
Een solidaire economie zou zich ook richten naar de door Rudolf Steiner in 1905 geformuleerde sociale hoofdwet. Deze luidt: “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij meer daarvan aan zijn medewerkers (lees: andere werkenden - RT) afstaat en naarmate meer van zijn behoeften niet uit eigen prestaties, maar uit de prestaties van de anderen worden bevredigd”.1)
Deze beschrijving van een sociale werkelijkheid staat haaks op de sociale praktijk in onze tijd, die eerder in het teken lijkt te staan van het Amerikaanse motto “private interest leads to public benefit” (privébelang leidt tot algemeen voordeel). Dit motto herkennen we ook in the American dream, van krantenjongen tot multimiljonair en van acteur tot president! In onze tijd heerst het economische neoliberalisme waarin alle vrijheid gegeven wordt aan het individu en ondernemers.
“Ieder voor zich en God voor ons allen”!
Het is van belang je te realiseren dat Rudolf Steiner de sociale hoofdwet niet als een ethisch beginsel of morele intentie formuleerde, maar als een wetenschappelijke wetmatigheid, vergelijkbaar met natuurwetten zoals de wet van de zwaartekracht.
Een eeuw nadat de sociale hoofdwet voor het eerst geformuleerd werd, is het nog steeds mogelijk om deze empirisch te toetsen en te controleren op juistheid. Deze economisch/ sociologische wet geldt voor het gehele sociaal maatschappelijke gebied, daar waar mensen samenwerken in organisaties, bedrijven, maar ook in een land of zelfs wereldwijd.
Als je de sociale hoofdwet strikt economisch beschouwt kun je welzijn ook vervangen door welvaart. Kunnen we dan aannemelijk maken dat er zoiets bestaat als een wet van toenemende meeropbrengst, anders dan de ons bekende economische theorie van afnemende meeropbrengst? Deze laatste ‘wet’ is een ervaringsregel. De ervaring leert dat, wanneer aan een constant gehouden productiefactor (bijvoorbeeld grond) successievelijk eenheden van een variabele productiefactor (arbeid) worden toegevoegd, de totale opbrengst (bijvoorbeeld graan) eerst méér en later minder dan evenredig stijgt met de toename van de variabele factor.
De kleinste eenheid waarin samengewerkt kan worden is het gezin. Geldt in een gezin dat naarmate de ouders minder voor zichzelf opeisen en meer (tijd, aandacht, middelen) in het huishouden, het gezin, de opvoeding en het onderwijs van hun kinderen stoppen, het hele gezin dan welvarender wordt? Dat is inderdaad het geval.
Men heeft wel eens berekend dat onderwijs een zeer renderende investering is die het twaalfvoudige opbrengt. Bezien over meerdere generaties wordt het effect nog sterker en je hoeft geen wiskundige te zijn om dit multiplier effect aan te tonen. Voor het gezin als kleinste sociale eenheid blijkt de sociale hoofdwet dus te gelden.
Macrosociaal of maatschappelijk gezien kunnen we denken aan de betekenis van het vrijwilligerswerk. Het vormt een goed voorbeeld van de belangeloze inzet van de enkeling voor de samenleving, bijvoorbeeld in de vorm van vrijwilligerswerk voor een sportvereniging of maatschappelijke organisatie. Doorgaans eisen vrijwilligers niets van de vruchten van hun prestaties voor zichzelf op.
Hoe vruchtbaar is dat werk? Welke bijdrage levert het aan het welzijn van het geheel? Vast en zeker een aanzienlijke; zowel in de vorm van de voldoening die het vrijwilligerswerk de vrijwilliger zelf biedt, maar ook maatschappelijk gezien. Dit vrij onzichtbare werk (het zogenaamde grijze circuit) dat veelal buiten de statistieken blijft, wordt weleens het cement in de samenleving genoemd.
Een CBS onderzoek uit 2004 liet zien dat circa 43% van de mannen en vrouwen vanaf 18 jaar en ouder vrijwilligerswerk verricht in georganiseerd verband. Natuurlijk is het aantal mensen en de totale tijdsbesteding in het vrijwilligerswerk minder dan de totale omvang van de beroepsbevolking en het aantal uren betaald werk. Desondanks is het effect enorm, al is de economische waarde moeilijk vast te stellen.
Rudolf Steiner gebruikt in zijn hoofdwet ook het begrip welzijn (= maatschappelijke indicator) en niet welvaart, wat een economische maatstaf is. Zonder de belangeloze inzet van oversteek-, oppas- en voorleesmoeders, buddies, vrijwilligers in verzorgings- en verpleeghuizen, in sportverenigingen, voedselbanken en vele, vele anderen zou ons sociale bouwwerk in zijn voegen kraken en de maatschappij arm en leeg zijn.
Op een andere, en misschien iets ruimere manier, kunnen we op macrosociaal gebied ook wijzen op het belastingstelsel. Zou je, indachtig de sociale hoofdwet, kunnen stellen dat naarmate de inkomsten-, omzet- en winstbelastingen hoger zijn het welzijn van de samenleving hoger is? Empirisch lijkt dit te kloppen als je West-Europese landen (bijvoorbeeld Nederland, Duitsland en de Scandinavische landen) met een hogere belastingvoet vergelijkt met bijvoorbeeld de Verenigde Staten die een lagere belastingvoet hanteren. West-Europa kent niet alleen betere sociale voorzieningen maar ook kleinere inkomensverschillen, minder mensen die onder de armoedegrens leven en een betere toegang tot onderwijs en gezondheidszorg. In politieke termen gesproken lijkt een zogenaamd links beleid beter voor het algemeen welzijn dan een rechts beleid dat mikt op belastingverlaging en een vermindering van sociale voorzieningen.
Een progressief belastingstelsel, waarbij de hogere inkomens relatief meer belasting betalen dan de lagere inkomens, lijkt in overeenstemming met de sociale hoofdwet. Zowel Jan Tinbergen (Nobelprijswinnaar voor economie) als recent de Engelse onderzoekers Wilkinson en Pickett hebben het maatschappelijk belang aangetoond van een relatief kleine inkomensongelijkheid.2)
Er zijn ook studies gedaan naar de relatie tussen financiële rijkdom en geluk, onder andere door prof. Veenhoven van de Erasmus Universiteit. In termen van welzijn of geluk levert een verdere welvaartstijging voor welgestelden veel minder op dan voor niet-welgestelden. Bij welvaartsstijging is er dus aanvankelijk sprake van een toenemende meeropbrengst maar die slaat later om in een duidelijk afnemende meeropbrengst.
Noten:
1) Vertaling: Dieter Brüll, in: De sociale impuls van de antroposofie, Assen 2019
2) Wilkinson & Pickett, The spirit Level
Deze tekst is een fragment uit: Ruud Thelosen, Solidaire economie, ISBN 9789492326126