Arjen Nijeboer

Sociale driegeleding: werken aan vrijheid, gelijkheid en broederschap

Associatieve economie en steward ownership hebben elk hun plek binnen een brede maatschappijconceptie: de sociale driegeleding. Door vrijheid in het geestesleven, gelijkheid in het rechtsleven en broederschap in de economie te realiseren wil sociale driegeleding de sterke kanten van zowel kapitalisme als socialisme op een hoger niveau verenigen.

Vrijheid, gelijkheid, broederschap – wie is niet bekend met de beroemde triade van de Franse revolutie? Iedereen voelt aan dat het hier om diep-menselijke idealen gaat. In de beginselprogramma’s van de politieke partijen komen we deze idealen in allerlei formuleringen tegen. Scherpzinnige denkers hebben daar tegenin gebracht dat deze idealen onderling tegenstrijdig zijn en dus nooit tegelijk gerealiseerd kunnen worden. En daarmee is voor hen de kous af.

Het is de grote verdienste van Rudolf Steiner dat hij ontdekte dat vrijheid, gelijkheid en broederschap horen bij drie afzonderlijke gebieden in de samenleving die elk volgens hun eigen principe moeten worden ingericht en bestuurd. Vrijheid is het juiste beginsel in het geestesleven, gelijkheid is het inherente principe voor het politieke en rechtsleven, en de economie floreert het beste als daar broederschap heerst. Als elk principe zijn eigen werkingssfeer kent, zijn ze niet langer onderling tegenstrijdig, maar vullen ze elkaar juist aan.

Vrijheid in het geestesleven

Het geestesleven is het gebied van onder meer opvoeding, onderwijs, zorg, religie, wetenschap, kunst, media, het verenigingsleven. Dit is het gebied waarin mensen zich ontwikkelen door hun individuele vaardigheden en inzichten uit te breiden en bij te slijpen. Hiervoor is vrijheid de beste voorwaarde, want iedereen ontwikkelt zich anders en heeft ook het recht daartoe. Inzichten en waarheden kunnen ook alleen in vrijheid ontstaan, zonder regulering of dwang vanuit de staat of de economische sfeer. In het geestesleven mag iedereen vrij zijn diensten aanbieden en anderen zijn vrij om daar al dan niet op in te gaan. Het principe van de vrije concurrentie, vaak schadelijk in de economie, is in het geestesleven volop geldig.

In een gezonde samenleving wordt het geestesleven volop erkend als een zelfstandige geleding, die eigen organisaties en vormen van beheer kent en die haar leidende rol in de samenleving zelfbewust op zich neemt. Ze krijgt daarbij ook nieuwe taken, zoals de toewijzing van bedrijfskapitaal aan degenen die daar vanuit een perspectief van het algemeen belang productief mee kunnen werken. Het geestesleven heeft eigen vormen van financiering, waarbij Steiner stelde dat degenen die in het vrije geestesleven echt productief zijn, erop mogen rekenen dat degenen die baat hebben bij hun werk, of dit een warm hart toedragen, ook in hun inkomen zullen willen voorzien. Zo’n geestesleven, dat stevig op eigen benen staat, is veel krachtiger, productiever en waarachtiger dan onze huidige platgeslagen, vercommercialiseerde en verpolitiekte cultuur.

Een vrij en zelfstandig geestesleven zoals hier bedoeld wordt, kennen wij op dit moment feitelijk niet. Enerzijds is het geestesleven deels geannexeerd door de staat, die grote invloed uitoefent op onderwijs, zorg, kunst en wetenschap. Die invloed wordt uitgeoefend via geldstromen (subsidies en de daaraan verbonden voorwaarden) en wetten en regels. Anderzijds heeft ook de economie een grote greep op het geestesleven gekregen. Economische belangen dringen binnen in sectoren waar ze niet zouden moeten meespelen, zoals in onderwijs, zorg en wetenschap. Hierdoor is het geestesleven verlamd geraakt en is het onproductief en wereldvreemd geworden.

Neem als voorbeeld opvoeding en onderwijs, die een cruciaal onderdeel van het geestesleven vormen. Elke nieuwe generatie brengt nieuwe, onverwachtse impulsen met zich mee. Pedagogen en leraren zouden vanuit hun professionele vaardigheden en persoonlijke betrokkenheid de handen vrij moeten hebben om op dat nieuwe, onverwachtse in te gaan, om het zo goed mogelijk tot bloei te brengen. Daarbij zouden zij het gehele onderwijs zoveel mogelijk zelf moeten vormgeven, dat zou niet moeten gebeuren door degenen die niet zelf voor de klas staan. Wanneer de staat het onderwijs inhoudelijk reguleert, is het onvermijdelijk dat hij vanuit de bestaande orde eisen gaat stellen opdat burgers zich gedwee in de bestaande politieke en economische orde invoegen. Regelgeving en bureaucratische verplichtingen schakelen alle onderwijs gelijk en baseren zich op het niet-bestaande-uniforme-kind. Vernieuwende onderwijsvormen die niet binnen die regelgeving passen, kunnen zich niet in de praktijk bewijzen en zo werkt de overheidsbemoeienis in het onderwijs als een rem op echte innovatie.

Gelijkheid in het rechtsleven

Het politieke en rechtsleven – Rudolf Steiner noemde die twee vaak in één adem - is het gebied van de juiste onderlinge verhoudingen, van hoe we ons op zuiver menselijk vlak tot elkaar verhouden en hoe we dit vormgeven in rechten en plichten, in wetgeving, regels en afspraken, en van het proces hoe we tot die afspraken komen. Maar het rechtsleven zorgt ook voor de verhouding tussen geestesleven en economisch leven

Op drie verschillende manieren moet gelijkheid het kernprincipe zijn van het rechtsleven. Allereerst moet de wet voor iedereen in gelijke mate gelden. Ten tweede moet iedereen in gelijke mate de wet kunnen vaststellen. Dit principe wordt door de meeste mensen zeker beaamd, maar is in feite nog nauwelijks gerealiseerd. Gelijkheid is welbeschouwd het grondbeginsel van de democratie. Democratie betekent letterlijk volksheerschappij en gaat ervan uit dat er geen uiteindelijke autoriteit boven de bevolking bestaat maar dat de rechtsorde legitiem is omdat die op de één of andere manier door het volk is goedgekeurd. Het volk is soeverein en dat betekent ook dat alle burgers onderling een gelijke stem hebben. Omdat de wetten voor ieder van ons in gelijke mate gelden, moeten we ze ook in gelijke mate kunnen vaststellen. De filosoof Rousseau verwoordde het zo: de wetten hebben gezag omdat het sociale contracten zijn tussen de gelijke leden van de rechtsgemeenschap.
In de oorspronkelijke democratieën, zoals in de Griekse oudheid, was de democratie altijd direct, doordat de burgers op het marktplein direct de besluiten namen. In de zeventiende en achttiende eeuw dook het ideaal van de directe democratie weer op, en slechts met tegenzin hebben de heersende klassen in de negentiende en twintigste eeuw een halfslachtige vorm van democratie toegelaten, het parlementaire stelsel. Maar in een authentieke democratie moet de bevolking het parlement kunnen overrulen en bijsturen. In Zwitserland en in verschillende Amerikaanse deelstaten is dit vormgegeven in een uitgekiend stelsel van directe democratie in de vorm van optionele referenda over aangenomen wetsvoorstellen, volksinitiatieven waarbij groepen burgers zelf een voorstel ter stemming brengen, en verplichte referenda over bijvoorbeeld grondwetswijzigingen of soevereiniteitsoverdracht naar het internationale niveau. De directe democratie komt in surveys steeds naar voren als één van de meest gewaardeerde instituties in Zwitserland, zelfs door degenen die zelf nooit stemmen.

Het derde principe is dat het recht, ofwel de staat, zich moet beperken tot het terrein waarop wij allen gelijk zijn, tot de vaststelling en handhaving van onze openbare rechtsorde die voornamelijk uit onderlinge rechten en plichten bestaat. Het domein van de democratie moet worden teruggebracht tot het gebied waarover ook daadwerkelijk democratisch besloten kan worden. Want bij afwezigheid van een zelfstandig en vrij geestesleven dat onder meer tot bloei zou komen in nieuwe inzichten, oplossingen en ontwikkelingen, wordt de staat in onze samenleving gezien als de cockpit van de samenleving van waaruit alles bestierd moet worden. De staat ontfermt zich niet alleen over wat vrij en zelfstandig in het geestesleven zou moeten gebeuren, maar is ook eindverantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de economie, voor voldoende werkgelegenheid en economische groei, voor het sociale vangnet, voor prijsstabiliteit en de verzorging van het geldstelsel. In feite wordt de staat eindverantwoordelijk gehouden voor het oplossen van alle bestaande maatschappelijke problemen. Dat leidt tot een onhoudbare bureaucratie en regelgeving en een politiek systeem dat zijn geloofwaardigheid verliest.

Vanuit twee kanten zou de staat zich terug moeten trekken naar haar eigenlijke terrein. Ze reguleert niet langer het onderwijs en de zorg, maar beperkt zich tot het waarborgen van de toegankelijkheid voor allen van dit domein. De staat moet ook bijdragen aan het terugdringen van het economische tot zijn eigenlijke rechtmatige gebied. Doordat de staat zorgt voor een rechtsorde waarin natuur, kapitaal en arbeid niet langer als ‘koopwaar’ verhandeld kunnen worden, worden deze drie productiefactoren in zekere zin uit het economische proces gehaald en kunnen zij niet langer leiden tot onrechtmatige en absurd hoge inkomens- en vermogensverschillen. Bij grond en kapitaal (aandelen enzovoort) is dat heel gemakkelijk te zien. De Quote 500 staat vol mensen die hun vermogen vergaarden doordat ze privé-eigenaar zijn van grote kapitaalhopen, onroerend goed, grond enzovoort. Als mensen hun inkomen door eigen inzet moeten verwerven, en niet langer geld kunnen halen uit het passief bezitten van kapitaal en grond, dan worden de vermogensverschillen veel kleiner en worden absurd hoge inkomens afgetopt – niet door fiscale afroming door de staat, maar doordat de normale economische verhoudingen die absurd hoge inkomens uit zichzelf in toom houden.

Het probleem van onze staat is dat ze de grondfouten van het kapitalisme - zoals de verhandelbaarheid van natuur, kapitaal en arbeid – laat voortbestaan. Door belasting te heffen kan de staat grootschalig ‘beleid’ voeren in de ‘collectieve sector’ van zorg, onderwijs, cultuur en noem maar op. Daarnaast poogt de staat achteraf nog de ergste uitwassen van het kapitalistisch stelsel te verminderen en enige sociale rechtvaardigheid te creëeren via een grootscheeps herverdelingssysteem bestaande uit belastingen, heffingen, premies, toeslagen en fiscale aftrekposten. Dit herverdelingssyteem is enorm ingewikkeld geworden – de systemen van de Belastingdienst kunnen sommige wijzigen al niet meer aan en de Toeslagenaffaire is hiervan ook een direct gevolg - en betreft inmiddels de overgrote meerderheid van de Nederlandse gezinnen. Niemand heeft nog het overzicht hierover en op individueel niveau pakt het vaak onrechtvaardig of ongelukkig uit. Het maakt velen afhankelijk van een peperduur, log en onoverzichtelijk systeem waarover slechts een handvol politici beslissen, op politieke gronden die niet altijd eerlijk of solide zijn. Dit is een doodlopende weg. In plaats daarvan hoeft de staat alleen maar wettelijk te regelen dat elk bedrijf vanaf een bepaalde grootte een bedrijfsraad heeft waarin alle teamleden – van de hoogst- tot de laagstbetaalde – via een soort democratisch proces tot een verdelingsverdrag komt voor de salarissen van de medewerkers. Dat kan bijvoorbeeld door democratisch te stemmen over de maximale loonvorken (de verhouding tussen de laagste en hoogste salarissen). Zo krijg je ‘vanzelf’ een redelijke inkomensverdeling vanaf de basis. Daardoor kan een groot deel van het huidige complexe herverdelingssysteem komen te vervallen, wat alleen maar voordelen oplevert: een kleinere rol voor de staat, meer vrijheid voor burgers, minder bureacuratische lasten, minder verspilling van onnodige arbeidskracht van ambtenaren en dergelijke, meer transparantie en overzicht voor iedereen.

Broederschap in de economie

Waarom is broederschap het juiste principe voor de economie? Dit moet zeker niet moralistisch begrepen worden, maar op een heel praktische manier. Dit principe vloeit direct voort uit het principe van de arbeidsdeling die in onze economie zeer ver is doorgevoerd. Niemand produceert nog voor zichzelf, iedereen maakt producten en diensten die (vrijwel) geheel door anderen worden geconsumeerd, en die anderen produceren weer voor anderen. Hieruit volgt onvermijdelijk dat het algehele welvaartsniveau van de mensen die zo’n economische gemeenschap vormen, het grootste is als iedereen op de behoeften van de ander is gericht.

Geen standaardrecept

Het gaat bij sociale driegeleding niet om een standaardrecept. Rudolf Steiner was steeds bemoeid om de eigenlijke processen die in de maatschappij optreden, in kaart te brengen en uit hun eigen aard maatregelen af te leiden over hoe ze het beste in de juiste banen geleid kunnen worden. Hoe geestesleven, recht en economie zich precies tot elkaar verhouden, zal naar de behoeften van tijd en plaats verschillen, en er zijn altijd meerdere manieren mogelijk om iets goed te regelen. Daarbij hebben maatschappelijke verschijnselen altijd de neiging om uit balans te raken. Sociale vraagstukken kunnen niet voor eens en altijd worden geregeld, maar zullen steeds opnieuw moeten worden opgelost. Omdat de sociale driegeleding altijd de vormgeving van het sociale zoveel mogelijk in handen wil leggen van degenen die het daadwerkelijk aangaat, zal veel afhangen van de keuzes die groepen mensen in de samenleving steeds opnieuw maken. Sociale driegeleding wil ervoor zorgen dat deze keuzes worden gemaakt door degenen die er daadwerkelijk bij betrokken zijn.

Oorspronkelijk gepubliceerd in: Samen anders ondernemen - de krant over 'eigendom', uitgegeven door Stichting Sleipnir, mei 2025