Stuttgart 1919: Rudolf Steiner onder arbeiders
Terwijl de werkzaamheden bij het arbeidersvormingswerk steeds groeiden, kwam Rudolf Steiner in het late voorjaar van 1919 zelf naar Stuttgart. Met de inzet van zijn hele persoonlijkheid, met verbazingwekkende onvermoeibaarheid en met een helder, intuïtief begrip voor de toestanden zoals deze zich van week tot week ontwikkelden, was hij werkzaam voor de verdediging van het idee der drievoudigheid.
Voordrachten, vergaderingen, discussieavonden, alle mogelijke conferenties en besprekingen volgden elkaar met adembenemende snelheid op. Daarbij maakte hij nooit de indruk gehaast te zijn of anderen tot spoed aan te drijven. Hij had feitelijk steeds de tijd. Misschien hing dit ook samen met zijn dagindeling, die vaak de volle 24 uur bestreek. Nog meer evenwel met het feit, dat hij niet slechts over de geest sprak, maar op elk moment uit geestelijke bronnen kracht kon putten. Het was heerlijk om te merken hoe snel hij bij voordrachten en discussies met alle eenvoudige arbeiders contact tot stand wist te brengen. Dit berustte niet in de laatste plaats op het feit dat hij zelf onder armoedige omstandigheden was grootgebracht en dat hij vroeg geleerd had zijn handen te gebruiken. Op een keer riep de bedrijfsingenieur van een zeer grote fabriek bewonderend uit: ‘Meneer Steiner, ik geloof dat ik begrijp wat u vandaag in staat stelde zo duidelijk over sociale noden te spreken. Dat hangt vast en zeker samen met het feit dat u zich al in uw jonge jaren met de sociale filosofie en de sociale sociologie hebt beziggehouden.’ - ‘Neen’, antwoordde Rudolf Steiner geamuseerd, ‘dat hangt integendeel samen met het feit dat ik van mijn vroege kindertijd af geleerd heb zelf mijn schoenen te poetsen!’
Wanneer Rudolf Steiner in de grote vergaderzalen van de arbeiders sprak, verbreidde zich daar vaak een dikke, benauwde damp vermengd met bierlucht. Voor hem, die noch rookte noch sterke drank gebruikte, betekende het een ware kwelling in deze walm en rook te spreken. Wat ik vroeger in al die jaren dat ik hem kende niet had meegemaakt gebeurde nu: hij kreeg een hese stem. Maar bij iedere voordrachts- en discussieavond herhaalde zich telkens weer een klein wonder: na ongeveer een kwartier ‘sprak hij zich vrij’ - dat wil zeggen zijn stem werd duidelijk genoeg om in de hele, grote zaal verstaanbaar te zijn. Verder had ik ook gedurende deze onrustige vergaderingen de gelegenheid al die eigenschappen in hem op te merken die ik vroeger bij intiemere ontmoetingen al had leren kennen: zijn wonderbaarlijke gave om naar anderen te luisteren, zijn tegenwoordigheid van geest en ook zijn humor. Op een keer verweet een arbeider, die een verstokt orthodox socialist was hem, dat zijn uiteenzettingen ‘zo zacht als een pruim’ waren geweest. Rudolf Steiner hoorde ook deze uitlating - zoals al het andere dat in een discussie gezegd werd - met grote kalmte aan. Hij maakte alleen op zijn gemak zo nu en dan een aantekening. Als hij dan op zijn levendige, temperamentvolle en tegelijkertijd zo menselijke wijze antwoordde, verbaasde men zich erover hoe hij tot in de fijnste nuances in zich had opgenomen wat de vorige sprekers gezegd hadden. En in elk antwoord bevond zich een fijn snuifje verfrissend geesteszout. Zo belandde hij in de loop van zijn antwoorden en tegenargumenten nu ook op het punt waar hem het verwijt ‘zo zacht als een pruim’ was gemaakt.
Iedereen luisterde gespannen, toen hij ongeveer het volgende antwoordde: ‘ik heb intussen over dit verwijt dat mij gemaakt is nagedacht, en ik kan daarop slechts het volgende zeggen: van jongs af aan heb ik de natuur steeds heel nauwkeurig gadegeslagen. Ook pruimen heb ik in hun verschillende stadia bekeken.’ - Nu werd het heel stil in de zaal. ‘En ik meen steeds gezien te hebben’, ging hij verder, ‘dat harde pruimen groen, niet lekker en onverteerbaar zijn, de zachte daarentegen zoet, rijp en…’ Wat hij verder nog zei kon men ternauwernood meer verstaan, want een jubelend applaus barstte los in de zaal. En men zal mij wel willen geloven als ik zeg dat deze woorden volkomen afdoende waren.
In het verloop van de voordrachten van die tijd merkte ik echter naast alle vriendelijkheid en humor, die ook daar aanwezig waren, iets op dat ik voor mezelf in stille ogenblikken met het woord ‘Zeitschmerz’ aanduidde. Het waren onverbiddelijke afrekeningen met een opgeschroefd en decadent verleden geworden, die men mee beleefde, het was te midden van de chaos een dramatische worsteling om nieuwe vormen te vinden. Het was het gevoel alsof donkere wolkenvelden van de toekomst langzaam naderbij kwamen en alsof Rudolf Steiner ze verschrikkelijk duidelijk zag. Steeds weer dook toen in zijn redevoeringen een woord op, dat al eens op een andere betekenisvolle plaats in zijn leven gestaan had: ‘We moeten leren te leren’.
‘De geschiedenis’, zei Rudolf Steiner wel eens, ‘heeft ons een belangrijke, ernstige les geleerd. Maar de mensen hebben die niet verstaan. Ze hebben de gave om te leren verloren. Alles hangt af van het feit of we deze gave bezitten. Het is hoognodig dat we leren te leren!’
Kort nadat hij naar Stuttgart gekomen was om te beginnen met zijn werkzaamheden in verband met de drievoudigheidsleer, had Rudolf Steiner ook de Waldorf-Astoriafabriek bezocht. Daar ontmoette ik hem weer voor het eerst sinds dat gesprek in Kassel. Hij scheen helemaal niet verbaasd te zijn, maar zei toen hij mij de hand gaf, alleen maar hartelijk: ‘Zo, u is er dus ook!’
En zo brak de dag aan waarop Rudolf Steiner tot de arbeiders en werknemers van de Waldorf-Astoria zou spreken. Deze dag zou beslissender worden dan iemand in Stuttgart ooit had kunnen dromen.
Toen Rudolf Steiner zijn toehoorders de sociale nood van de 20e eeuw voor ogen stelde, sprak hij ditmaal heel in het bijzonder over het ontwikkelingsvraagstuk. Niet alleen voor het bewustzijn, maar ook voor het geweten van de nieuwe tijd moet aan ieder mens het recht op ontwikkeling toegekend worden. Dat voelt tegenwoordig iedereen in zijn hart als goed en rechtvaardig aan. Maar in vele landen van de wereld en ook in Duitsland is het nog steeds zo, dat aan miljoenen jonge mensenkinderen het recht op ontwikkeling maar tot en met hun 14de jaar wordt toegestaan, dus tot aan het einde van het zogenaamde lagere schoolpeil. Op die manier worden jaarlijks duizenden en nog eens duizenden jonge mensen op een leeftijd, waarop hun verstandelijke en geestelijke vermogens juist veel zorg nodig hebben om zich te ontplooien, in hun beste krachten beperkt. Ze raken onder de invloed van hetgeen er uitgaat van het bedrijfsleven en van de hele maatschappelijke constellatie. Hun wil wordt op het nuttige, op het zakelijke geconcentreerd, terwijl hun neiging tot vrije ontplooiing onderdrukt en teruggedrongen wordt. En juist in deze onderdrukte ontwikkelingsdrang moet de oorzaak gezocht worden van het feit dat de mensen in onze zich perfectionerende moderne beschaving rebellen en revolutionairen worden. ‘Hieraan’, sprak Rudolf Steiner, ‘lijdt u allen die hier zitten, van het 16-jarige leermeisje tot de 60-jarige arbeider in de machinekamer.’
Nog heel duidelijk zie ik het beeld voor me dat deze woorden verwekten. En ik hoor nú nog de ademloze stilte, die het gevolg was van het geconcentreerde luisteren van de aanwezigen. De voordracht werd gehouden in de ruimte voor het sorteren van tabak en kon zoveel mensen eigenlijk niet goed bevatten. De aanwezigen waren dus dwars door elkaar gaan zitten. Men zat niet alleen op stoelen en banken; men hurkte overal waar dat toevallig zo uitkwam neer en sommigen - de jongens weliswaar - waren boven op de volle tabakszakken geklommen, die tegen de achterwand opgestapeld lagen. Dit rommelige door elkaar heen zitten, samen met de beslotenheid en de warmte van al die mensen gaf de hele vergadering iets onvergetelijk intiems. Het was in velerlei opzicht het tegendeel van die met rook en walm gevulde lokalen, waar vroeger sprake van was.
Wat Rudolf Steiner uiteenzette voor deze honderden arbeiders en arbeidsters, die als ‘t ware van hun eigen lot uit luisterden, was de noodzaak nieuwe wegen in te slaan bij de ontwikkeling van de mensen, de noodzaak een uniforme school op te richten, waarin alle lagen van de bevolking en alle standen vertegenwoordigd waren.
En dit zou het punt zijn, waarop de bescheiden en volkomen tendensloze voorbereidende arbeid, die ik verricht had in de vormingscursussen voor arbeiders, in iets veel groters kon uitlopen. Want de dag volgend op die van de voordracht kwamen enkele arbeiders bij me en zeiden: ‘De cursussen die we krijgen zijn goed en we zijn er dankbaar voor. We zijn alleen al wat oud. Zouden onze kinderen niet van het begin af aan op deze manier onderwezen kunnen worden? Zou er niet een school kunnen komen als waarover we gisteren gehoord hebben?’
En zo rees vaag voor de eerste maal het idee van de vrije Waldorfscholen op.
Dit is een fragment uit: Herbert Hahn, Rudolf Steiner zoals ik hem gekend heb, Assen 2023, ISBN 9789492326881