Van geld kun je niet leven
Hoeveel mensen zijn er niet die een abstracte en verwarde voorstelling van het leven hebben, ook van hun eigen persoonlijke leven! Als u zich zou afvragen: “Waarvan leef ik?” - dat doet u meestal niet maar als u het eens zou doen -, dan zou u misschien zeggen: “Nou ja, van mijn geld!”
Een groot deel van de mensen die zeggen dat ze van hun geld leven, hebben dat geld bijvoorbeeld van hun ouders geërfd en menen nu dat zij van hun geld leven. Maar, mijn beste vrienden, van geld kan je niet leven! Geld is niet iets waarvan je kunt leven. Hier moeten we beginnen met na te denken.
En dit vraagstuk hangt nauw samen met de werkelijke belangstelling die van mens tot mens leeft. Wie gelooft dat hij leeft van geld - dat hij bijvoorbeeld geërfd heeft of op een andere manier verkregen heeft dan, zoals het tegenwoordig het geval is, door te werken -, wie zo leeft en meent dat hij van geld kan leven, die heeft geen interesse voor zijn medemensen want van geld kan niemand leven.
De mens moet eten en ons voedsel moet door iemand geproduceerd worden. De mens moet zich kleden en onze kleren moeten door andere mensen gemaakt worden. Mensen moeten hun arbeidskracht urenlang inzetten opdat ik een jas of een broek kan aantrekken. Die mensen werken voor mij: daar leef ik van, niet van mijn geld!
Mijn geld heeft geen andere waarde dan dat het mij de macht geeft om de arbeid van een ander mens te benutten.
En zoals de sociale verhoudingen tegenwoordig liggen, beginnen de mensen pas interesse voor hun medemensen te ontwikkelen wanneer ze deze vraag beantwoorden doordat ze beseffen: “Zo- en zoveel mensen moeten zo- en zoveel uur werken, opdat ik in de sociale structuur kan leven.”
Het gaat er niet om dat mensen zich goed voelen doordat ze tegen zichzelf zeggen: “Ik heb de mensen lief.” Je hebt de mensen niet lief als je gelooft dat je leeft van je geld en je er niet het flauwste benul van hebt hoe de mensen voor jou moeten werken opdat jij ook maar het allernoodzakelijkste om te leven hebt.
Maar deze gedachte, “Zo- en zoveel mensen werken opdat ik het allernoodzakelijkste om te leven heb”, is onlosmakelijk verbonden met een andere gedachte, namelijk met de gedachte dat je weer aan de maatschappij moet teruggeven, niet met geld maar met arbeid, wat voor jou werd geproduceerd!
En pas als je een zodanige interesse hebt voor je medemensen dat je de hoeveelheid arbeid, die voor jou werd verricht, ook weer in de vorm van arbeid teruggeeft, pas dan heb je interesse voor je medemensen. Het gegeven dat je je medemensen geld ‘geeft’, betekent slechts dat je hen aan de leiband, aan de slavenketting kan laten lopen, hen kan dwingen om voor jou te werken!
Kunt u vanuit uw eigen ervaring niet een antwoord geven op de vraag: hoeveel mensen realiseren zich dat geld slechts een cheque is, een aanspraak op menselijke arbeidskracht, dat geld alleen maar een machtsmiddel is? Hoeveel mensen beseffen werkelijk dat zij helemaal niet zouden kunnen bestaan in deze fysieke wereld zonder datgene wat ze voor zichzelf in aanspraak nemen en dat ze aan de arbeid van andere mensen te danken hebben?
Het begin van de interesse van mens tot mens, die voorwaarde is voor een gezonde sociale ordening, ligt erin dat de mens voelt wat hij de samenleving waarvan hij deel is verschuldigd is. Van deze dingen moet men zich bewust worden, anders stijgt men op, niet van de fysieke werkelijkheid naar de geestelijke werkelijkheid zoals de bedoeling is, maar op een ongezonde manier: van de fysieke werkelijkheid naar spirituele abstracties.
Het gebrek aan interesse voor de sociale structuur is kenmerkend voor de laatste eeuwen.
Want in de laatste eeuwen is het gewoon geworden dat de mensen alleen interesse ontwikkelen voor sociale impulsen met het oog op hun eigen dierbare persoonlijkheid. Via omwegen was deze interesse min of meer vooral gericht op de eigen persoonlijkheid. Maar een gezond sociaal leven is alleen mogelijk als deze interesse voor de eigen dierbare persoonlijkheid wordt verruimd tot een werkelijke sociale interesse.
Dit is een fragment uit een voordracht van 30/11/1918, gepubliceerd in: Rudolf Steiner, We kunnen op elkaar bouwen, Assen 2014